Bouwkundige termen


 

 

P
Paal:
Voorwerp van enige lengte, waarvan de lengte vele malen groter is dan de doorsnede, b.v. ter afscheiding van een terrein of ter markering van een punt. Materiaal: hout, natuursteen, beton of ijzer, tegenwoordig ook kunststof.

Paardelul:
In de lengte gespleten metselsteen in staand verband gemetseld.

palmet
Symmetrisch ornament gelijkend op een palmblad; afkomstig uit de Griekse oudheid.

paneel
Rechthoekig vlak, gevat in een omlijsting, toegepast in deur of luik. Als decoratief motief ook toegepast in een fries of een liseen

Panieksluiting:
Sluiting die op de binnenkant van een dubbele deur is bevestigd en door druk op een horizontale stang kan worden geopend. Als bij paniek tegen de deuren - en dus tegen de stang - wordt gedrukt, openen de deuren zich vanzelf.

Panlat:
Horizontale lat waaraan de dakpannen worden gehangen.

Paslaag:
Bovenste waterpas gelegde metsellaag van een fundament.

Persienne
Vensterluik met in een raamwerk horizontaal schuin neergeplapte latten. De laten zijn in tegenstelling met een moderne jalouzie niet beweegbaar.

Pijler
Pilaar, vrijstaande drager van een boog, hoofdgestel, gewelf of balk.

Piket:
Kleine, ronde paaltjes met een oranje kop waarmee de plek van het te bouwen object wordt gemarkeerd.

Pilaster
Vierkante halfzuil, evenals een klassieke zuil voorzien van een basement en een kapiteel. Vooral in de gevelarchitectuur van de renaissance en barok toegepast, vaak op de hoeken van een gebouw.

Pinakel
Uit de gotische bouwkunst afkomstig verticaal decoratief ornament, boven en naast vensters en portalen, op steunberen (ter verzwaring) en op borstweringen.

Piron
Bolvormig op een voet staand ornament op de uiteinden van een nok.

Plint
Lage lijst onderlangs een muur of wand, zowel binnen als buiten toegepast, vaak uitgevoerd in (geteerd) pleisterwerk.

Pielmannetje:
Afstandslatje tussen betonbekistingen.

Platvol voegen:
Metselvoegen volstrijken met nog natte specie, zodat de voorkanten gelijk liggen met die van de stenen, teneinde het werk een fors aanzien te geven. Te onderscheiden van  knip- en snijwerk.

Portaal
Onmiddellijk aan een ingang grenzende ruimte, waardoor men een gebouw binnentreedt.

Portiek
Vaak ingebouwde, aan de straatzijde geheel open ruimte, waarin zich de ingang van een gebouw bevindt.

Potdekselen:
Planken voor een schutting, een schuurdak, een gevelvoorschot over elkaar spijkeren, ongeveer op de wijze van dakpannen of schubben (geschubd), teneinde inwatering tegen te gaan. In Noord-Holland noemt met een gepotdekselde houten buitenwand een getrapte weeg.

Pui:
Onderste deel van een gevel.

Puntgevel
Gevel eindigend met een driehoekig bovendeel, overeenkomend met de vorm van het aansluitende zadeldak.

 

Q

 

 

R

Raam
Gedeelte van het venster waarin het glas is gevat.

Rabat:
1 - Groef of sponning in een kozijn of dubbele deur.
2 - Groef in houten deel, waarmee deze over of tegen een andere sluit.

Rachel:
Horizontale houten lat waaraan plafonds worden bevestigd.

Raveelbalk:
Dwarsbalk die de draagbalken rondom een vloeropening opvangt, bijvoorbeeld bij een trapgat.

Renoveren:
Herstellen en zo nodig gedeeltelijk vernieuwen van een gebouw, vooral een woonhuis, waardoor het weer bruikbaar is naar de dan geldende maatstaven.

Rensdak:
Dak bedekt met leien die aan de onderkant rond zijn.

Ringsleutel:
Sleutel met een stalen steel waarmee zes- of twaalfkantige moeren en bouten vast- of losgedraaid worden.

Risaleren
Het vooruitspringen van een gevelvlak.

Risaliet
Midden- of hoekkristaliet. Vooruitspringende gevelpartij die over de gehele hoogte door loopt. In een midden risaliet bevindt zich meestal de ingangspartij.

Roedenverdeling
Bij een venster de verschillende kleine ruitjes die binnen 1 kozijn op hun plaats worden gehouden met behulp van houten latten of roeden.

Rollaag:
Reeks van gemetselde stenen op hun kant, b.v. als afdekking van of laag onder een kozijn, als afdekking van een muur of topgevel. Een rollaag is vaak een halve steen hoog.

Rooilijn:
Grens tot waar gebouwd mag worden.

Roosvenster
Oorspronkelijk uit de gotische bouwkunst rond venster voorzien van maaswerk
in de vorm van rozetten, drie- of vierpas enz.
Later in kleine vorm ook toegepast in gevels van woonhuizen en boerderijen.

Rowlockverband
zie Rowlockverband

Ruit:
Glazen plaat, oorspronkelijk ruitvormig, thans gewoonlijk rechthoekig of vierkant, die in een raam wordt bevestigd. Vensterglas werd oorspronkelijk als schijf geblazen. Daaruit werden ruitvormige stukjes gesneden, omdat op die wijze het gunstige gebruik werd gemaakt van de cirkelvormige structuur en het minste afval ontstond. Na een wijziging in de fabricagewijze in de 16e eeuw werden in hoofdzaak rechthoekige glasruiten gemaakt. Door de verbeteringen van de fabricagetechnieken kon men steeds grotere ruiten maken, maar de naam is nog steeds afgeleid van de meetkundige figuur, die het stukje glas oorspronkelijk had.